NL
EN
FR
Belgium
Terug naar artikelen

Hof van Cassatie verduidelijkt berekening van termijn voor uitzettingsvergoeding bij handelshuur

18 juni 2025

Op 28 maart 2025 heeft het Hof van Cassatie opnieuw verduidelijkt hoe de vervaltermijn moet worden berekend voor een huurder die aanspraak wil maken op een uitzettingsvergoeding wanneer een handelshuur niet wordt verlengd.

Hof van Cassatie verduidelijkt berekening van termijn voor uitzettingsvergoeding bij handelshuur

Feiten van de zaak

De huurder, exploitant van een horecazaak, had een verlenging van de handelshuurovereenkomst gevraagd. De verhuurders weigerden deze verlenging onder aanvoering dat zij het pand zelf in gebruik wensten te nemen. In dat geval verbiedt de wet het opstarten van een soortgelijke handelsactiviteit, tenzij de verhuurders de huurder daarvoor vergoeden.

Toen bleek dat de verhuurders alsnog een horecazaak in het pand wilden starten, vorderde de huurder een uitzettingsvergoeding. De rechtbank wees deze vordering echter af wegens laattijdigheid.


Juridisch kader en geschil

Volgens artikel 28 van de Handelshuurwet (HHW) moet een dergelijke vordering worden ingesteld binnen één jaar na de datum waarop blijkt dat de verhuurder het pand niet binnen zes maanden zelf in gebruik heeft genomen.

De discussie spitste zich toe op de vraag of voor de berekening van deze termijn de regels van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) van toepassing zijn — die een verschuiving toelaten indien een termijn op een weekend of feestdag eindigt — of de regels van het Oud Burgerlijk Wetboek (oud BW), waarin deze versoepeling ontbreekt.


Beoordeling door de hoven

De huurder stelde een bijkomende vordering in op 1 juni 2022, stellende dat de verhuurders hun voornemen tot persoonlijk gebruik niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden hadden gerealiseerd, noch gedurende twee jaar hadden volgehouden.

Het Hof van Beroep oordeelde dat het hier gaat om een vervaltermijn in de zin van artikel 2260-2261 oud BW, en dus niet om een proceshandeling waarop de artikelen 51-54 Ger.W. van toepassing zouden zijn. De vordering werd bijgevolg als laattijdig afgewezen.

De eiseres stelde cassatieberoep in met het argument dat wél degelijk de termijnen van het Ger.W. van toepassing zijn. Het Hof van Cassatie verwierp dit standpunt en bevestigde het arrest van het Hof van Beroep.


Analyse van de termijn

De handelshuurovereenkomst eindigde op 30 november 2020. De verhuurders dienden hun voornemen om het pand zelf in gebruik te nemen uiterlijk op 30 mei 2021 te realiseren. De vervaltermijn voor de huurder om een vordering tot uitzettingsvergoeding in te stellen, ving dus aan op die datum, met als einddatum 30 mei 2022.

Zelfs indien men zou aannemen dat de bepalingen van het Ger.W. van toepassing waren, zou de vordering van 1 juni 2022 nog steeds te laat zijn. In dat geval zou de termijn zijn aangevangen op 31 mei 2021 (de dag na de vaststelling), met als uiterste indieningsdatum 31 mei 2022, waardoor de vordering op 1 juni 2022 nog steeds buiten termijn werd ingediend.


Conclusie

Het Hof van Cassatie bevestigde dat de vordering laattijdig werd ingesteld en wees deze af op grond van artikel 25, eerste lid, 6° HHW.

Belangrijke les: In zaken met betrekking tot uitzettingsvergoedingen onder de Handelshuurwet geldt een strikte vervaltermijn. Deze termijnen zijn van dwingend recht en worden strikt geïnterpreteerd . De regels van het Gerechtelijk Wetboek inzake termijnverlenging zijn niet van toepassing wanneer het geen proceshandeling betreft.

Voor een uitgebreid overzicht van de wetgeving die van toepassing is op de vastgoedsector in Vlaanderen en Brussel kunt u de nieuwe “Vastgoedcodex” raadplegen, gepubliceerd in samenwerking met KnopsPublishing. Koop hier een exemplaar (print of download): https://nl.knopspublishing.be/shop/boeken/burgerlijk-recht/vastgoedcodex-vlaanderen-brussel-2025-2026/


💡 Nood aan bijstand bij de opmaak van een sluitend model van aanbod, onderhandse akte of juridisch advies over vastgoedtransacties of bemiddelingsovereenkomsten in het algemeen?
Neem gerust contact op. Het Real Estate team van Andersen helpt u graag verder.
Ulrike Beuselinck (Partner – Mediator)

Meer weten over dit onderwerp?

I am looking for a specialist in

Zie meer artikelen

Hof van Cassatie bevestigt de persoonlijke deontologische aansprakelijkheid van elke individuele vastgoedmakelaar, ook binnen een vastgoedgroep
News

14.01.2026

Vastgoed, Huur en Mede-eigendom

Hof van Cassatie bevestigt de persoonlijke deontologische aansprakelijkheid van elke individuele vastgoedmakelaar, ook binnen een vastgoedgroep

Het Hof van Cassatie heeft op 18 december 2025 een belangrijk arrest gewezen in een tuchtzaak tegen een vastgoedmakelaar, met grote gevolgen voor de hele vastgoedsector.

Read the article »
Bouwrecht & Aansprakelijkheid van de architect

13.01.2026

Vastgoed, Huur en Mede-eigendom

Bouwrecht & Aansprakelijkheid van de architect

In een belangrijk arrest van 19 december 2025 (C.25.0192.F) heeft het Hof van Cassatie het fundamentele belang benadrukt van de controleplicht van de architect bij de keuze van de aannemer, in het bijzonder wat diens toegang tot het beroep betreft.

Read the article »
Autonome garantie eindelijk wettelijk verankerd
News

13.01.2026

Handels- en Economisch Recht

Autonome garantie eindelijk wettelijk verankerd

Met Boek 9 van het Burgerlijk Wetboek krijgt de autonome garantie – ook wel bankgarantie of garantie op eerste verzoek - voor het eerst een duidelijke wettelijke basis in België. Tot vandaag werd deze figuur vooral gedragen door rechtspraak, praktijkgewoonten en internationale soft law. Voor dit laatste wordt vaak verwezen naar de zgn. URGD 758 (Uniform Rules for Demand Guarantees), een reeks praktische regels opgesteld door de Internationale Kamer van Koophandel (ICC). Deze regels zijn op zich niet bindend, maar worden in de (inter)nationale handel wel vaak gebruikt omdat ze voor uniforme en herkenbare afspraken en dus rechtszekerheid zorgen.

Read the article »
Duurzaam ondernemen, een zorg(plicht) voor later?
News

08.01.2026

Duurzaamheid

Duurzaam ondernemen, een zorg(plicht) voor later?

In een ideale wereld onderneemt elk bedrijf duurzaam, produceert elk bedrijf CO2-neutraal, respecteert elk bedrijf de mensenrechten in haar waardeketen en is elk bedrijf volledig transparant over haar duurzaamheidsimpact op de directe en indirecte omgeving. Bedrijven genereren mooie winsten en de aandeelhouders zijn tevreden stakeholders die mee de royale vruchten hiervan plukken.

Read the article »