Op 26 februari 2026 heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ) België veroordeeld wegens de onvolledige omzetting van de Europese anti-belastingsontwijkingsrichtlijn (Anti-Tax Avoidance Directive of ATAD-richtlijn). Het gaat meer bepaald om artikel 8(7) van de richtlijn, dat de lidstaten verplicht om een belastingkrediet toe te kennen voor buitenlandse belastingen betaald door een gecontroleerde buitenlandse vennootschap (Controlled Foreign Company of CFC).

Artikel 7 van de ATAD-richtlijn verplicht de lidstaten om CFC-regels in te voeren die ertoe strekken om, onder bepaalde voorwaarden, de niet-uitgekeerde winsten van laagbelaste dochtervennootschappen op te nemen in de belastbare grondslag van de ingezeten moedervennootschap.
Voor de toepassing van de CFC-regels kan gebruik worden gemaakt van twee opties : optie a (“entity approach”) en optie b (“transactional aproach”). Artikel 8 van de ATAD-richtlijn regelt de berekening van de inkomsten uit een CFC en voorziet in mechanismen ter voorkoming van dubbele belasting, waaronder het belastingkrediet op grond van artikel 8(7).
België heeft zijn CFC-regime in 2019 ingevoerd via artikel 185/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB92), waarbij aanvankelijk werd gekozen voor optie b, gebaseerd op het concept van “kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te vekrijgen”..
Bij de omzetting heeft de Belgische wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen om artikel 8(7) van de ATAD-richtlijn niet toe te passen. Volgens de Belgische wetgever legt de richtlijn slechts een minimumniveau van bescherming vast en laat zij strengere nationale maatregelen toe die tot doelen hebben een hoger niveau van bescherming te garanderen voor binnenlandse vennootschapsbelastinggrondslagen (artikel 3 van de ATAD-richtlijn). Het weigeren van een belastingkrediet voor buitenlandse belastingen betaald door de CFC vormt volgens de Belgische wetgever een dergelijk hoger niveau van bescherming.
De Europese Commissie heeft in 2020 een inbreukprocedure opgestart en, na een met redenen omkleed advies van 2 december 2021, de zaak in 2023 aanhangig gemaakt bij het HvJ (zaak C-524/23).
De vraag die aan het HvJ werd voorgelegd is eenvoudig : kan een lidstaat ervoor kiezen om artikel 8(7) niet om te zetten bij de invoering van haar CFC-regels?
België voerde in het bijzonder aan dat :
Het HvJ volgt echter een meer strikte benadering:
Het belastingkrediet onder artikel 8(7) van de ATAD-richtlijn vormt een essentieel onderdeel om dubbele belasting te vermijden.
Het Hof concludeerde dan ook dat de bepaling inzake het “minimumniveau van bescherming” in artikel 3 een lidstaat niet toelaat een mechanisme ter voorkoming van dubbele belasting, dat uitdrukkelijk door de richtlijn wordt voorzien, te neutraliseren. Strengere maatregelen zijn toegestaan, maar enkel bovenop dit verplichte minimum en niet in strijd daarmee.
Aangezien België artikel 8(7) niet correct heeft omgezet in haar regelgeving oordeelt het HvJ dat er sprake is van een schending van de ATAD-richtlijn.
In de tussentijd had België zijn CFC-regime reeds grondig hervormd via de Programmawet van 22 december 2023, waarbij werd overgeschakeld naar optie a (“entity approach”) van toepassing vanaf aanslagjaar 2024.
Het nieuwe regime is van toepassing op een ruimer scala aan entiteiten (buitenlandse vennootschappen en Belgische vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen), waarbij de controle wordt beoordeeld door zowel directe deelnemingen als deelnemingen aangehouden via verbonden entiteiten in aanmerking te nemen. Daarnaast geldt een laagbelastingscriterium (geen belasting of een belasting die minder bedraagt dan de helft van de Belgische belasting berekend volgens de Belgische regels).
Het regime bevat verschillende safe harbours die een CFC uitsluiten, onder meer wanneer zij een wezenlijke economische activiteit uitoefent, wanneer haar passieve inkomsten niet meer bedragen dan een derde van de totale inkomsten, of wanneer het gaat om een kwalificerende financiële instelling met beperkte intragroepsstromen.
Daarnaast zijn verschillende mechanismen voorzien om dubbele belasting van in België belaste CFC-inkomsten te voorkomen, waaronder een belastingkrediet voor buitenlandse belastingen betaald door de CFC, de aftrek voor definitief belaste inkomsten (DBI), en een corresponderende vrijstelling van meerwaarden op aandelen voor zover de onderliggende winsten reeds aan de Belgische vennootschapsbelasting zijn onderworpen.
Deze wijzigingen zorgen voor een betere afstemming van de Belgische wetgeving op de ATAD-richtlijn zoals geïnterpreteerd door het HvJ. De inbreuk die formeel werd vastgesteld in het arrest C-524/23 heeft dan ook enkel en alleen betrekking op de periode voorafgaand aan deze wijzigigen.
Voor de periode tussen 2019 en de inwerkingtreding van het hervormde CFC-regime (aanslagjaar 2024) hadden Belgische belastingplichtigen waarvan CFC-inkomsten in de belastbare grondslag werden opgenomen aldus recht op een belastingkrediet dat niet in de Belgische wetgeving was voorzien.
Op basis van het arrest van het HvJ kunnen deze belastingplichtigen de terugbetaling van de te veel betaalde belasting vorderen, hetzij via de gewone administratieve bezwaarprocedure (termijn van één jaar), hetzij via de procedure van ambtshalve ontheffing (termijn van vijf jaar). Voor de toepassing van deze laatste procedure kan het arrest van het Hof worden beschouwd als een nieuw feit, wat een vereiste is voor de toepassing ervan.
Het arrest C-524/23 bevestigt dat de toekening van een belastingkrediet onder artikel 8(7) van de ATAD-richtlijn een bindende verplichting vormt waarvan lidstaten niet kunnen afwijken. Voor Belgische groepen creëert dit arrest een mogelijkheid tot terugvordering van teveel betaalde belastingen voor eerdere jaren. Bovendien wordt het belastingkrediet voor de toekomst verzekerd op basis van het nieuwe CFC-regime.
Wij staan ter beschikking om u te begeleiden bij de analyse van uw specifieke situatie, de identificatie van de beschikbare rechtsmiddelen en het opstarten van de nodige procedures. Daarnaast kunnen wij u ondersteunen bij de correcte naleving van de Belgische CFC-regels.
Ik zoek een expert in

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.

23.06.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
De groei van e-commerce heeft het consumentengedrag ingrijpend veranderd. Om onlineaankopen aan te moedigen, hebben retailers geleidelijk klantvriendelijke beleidsmaatregelen ingevoerd: gratis levering, gratis retourzendingen, langere retourtermijnen en terugbetalingen zonder opgave van reden.