Op 23 maart 2026 treden enkele wijzigingen aan het Bodemdecreet in werking. Hoewel deze aanpassingen op het eerste gezicht eerder technisch lijken, spelen deze duidelijk in op het bestaande spanningsveld binnen het Vlaamse bodembeleid: de kloof tussen theoretische normen en hun praktische toepasbaarheid. Met deze hervorming kiest de decreetgever expliciet voor een meer wendbaar en uitvoerbaar kader.

De aanleiding voor deze wijzigingen ligt in concrete uitvoeringsproblemen binnen het bestaande bodembeleid. Zo blijkt in de praktijk dat de richtwaarden voor bodemkwaliteit, binnen het beleid inzake bodemsanering, soms lager liggen dan de feitelijke achtergrondconcentraties in de bodem, onder meer bij stoffen zoals PFAS.
In bepaalde gevallen kan dit ertoe leiden dat bodemverontreiniging niet langer kan afgebakend worden en saneringsverplichtingen in de praktijk onuitvoerbaar worden. Daarnaast kan ook het hergebruik van bodemmaterialen bemoeilijkt worden, met aanzienlijke economische en ecologische gevolgen.
Met het wijzigingsdecreet van 27 februari 2026 wil de decreetgever hierop een antwoord bieden.
Een eerste wijziging betreft de vaststelling van de richtwaarden voor bodemkwaliteit. Voortaan kan de Vlaamse Regering expliciet rekening houden met de haalbaarheid van deze waarden. Meer concreet, wanneer het om wetenschappelijk-technische of socio-economische overwegingen niet haalbaar zou zijn, kunnen richtwaarden worden vastgesteld die het beoogde kwaliteitsniveau “zoveel als redelijkerwijze mogelijk” benaderen.
Dit is een toepassing van het ALARA-principe (‘as low as reasonably achievable’) in het bodembeleid. Dit moet voorkomen dat normen worden opgelegd die in de praktijk moeilijk of zelfs onmogelijk te realiseren zijn. De voorbereidende werken preciseren evenwel dat deze flexibilisering geen vrijgeleide is. Immers rijst de vraag hoe wordt beslist wat wel of niet ‘haalbaar’ is. De decreetgever is duidelijk: de richtwaarden moeten nog steeds in hoofdzaak gebaseerd blijven op de multifunctionele bodemkwaliteit en vergen een versterkte motivering. Nieuwe richtwaarden zijn bovendien inherent evolutief, zodat de Vlaamse Regering een actualisatieplicht heeft.
Het wijzigingsdecreet verduidelijkt voortaan hoe moet worden omgegaan met verontreinigende stoffen waarvoor geen specifieke bodemsaneringsnormen bestaan. In dergelijke gevallen wordt expliciet teruggevallen op het saneringscriterium uit artikel 19 van het Bodemdecreet. Hoewel dit principe reeds impliciet gold, wordt het nu decretaal verankerd om de rechtszekerheid te waarborgen.
Ook de regels rond het gebruik van bodemmaterialen worden verder verfijnd. De Vlaamse Regering krijgt de bevoegdheid om nadere voorwaarden en waarden vast te stellen, en het decreet bevestigt dat de waarden voor vrij gebruik worden afgestemd op de richtwaarden voor bodemkwaliteit. Op die manier wil men meer samenhang binnen het bodembeleid creëren en het duurzaam en circulair gebruik van uitgegraven bodem ondersteunen.
Tot slot krijgt de OVAM de bevoegdheid om ambtshalve bodemstalen te nemen met het oog op het vaststellen van richtwaarden. Dit moet bijdragen aan een betere onderbouwing van beleidskeuzes en een meer data-gedreven aanpak van bodemkwaliteit.
Algemeen kan worden besloten dat de decreetgever met deze hervorming inzet op een evenwicht tussen milieubescherming en uitvoerbaarheid. Door het ALARA-principe explicieter te verankeren en tegelijk bijkomende instrumenten en verduidelijkingen te voorzien, wordt een kader gecreëerd dat beter aansluit bij de realiteit op het terrein. De effectiviteit van deze wijzigingen zal in belangrijke mate afhangen van de concrete toepassing en motivering in de praktijk, maar ze vormen in elk geval een duidelijke stap richting een meer wendbaar bodembeleid.
Aarzel niet om het team real estate van Andersen in Belgium te contacteren voor meer informatie en bijstand aangaande het Bodemdecreet, en de toepassing ervan in de praktijk.
Matias Osorio Olivera (Counsel)
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.