Met het voorstel voor de EU Inc. zet de Europese Commissie een belangrijke stap in de richting van een moderner en meer geïntegreerd Europees ondernemersklimaat. Het idee is eenvoudig, maar ambitieus: een vennootschapsregime creëren dat naast de bestaande nationale vennootschapsvormen zou bestaan en bedrijven toelaat om eenvoudiger, sneller en meer digitaal binnen de Europese Unie te opereren.

De reden is duidelijk. Hoewel de Europese Unie over een interne markt beschikt, blijven bedrijven in de praktijk geconfronteerd met uiteenlopende nationale regels, formaliteiten en administratieve procedures. Voor start-ups, scale-ups, investeerders en internationale groepen vormt die versnippering een rem op groei, financiering en grensoverschrijdende expansie.
De EU Inc. wil daarop een pragmatisch antwoord bieden.
Het voorstel voorziet onder meer in een volledig digitale oprichting, met een beoogde oprichtingstermijn van 48 uur en een maximale kost van 100 euro wanneer gebruik wordt gemaakt van standaardmodellen. Daarnaast wordt het “once-only”-principe geïntroduceerd: informatie die reeds beschikbaar is in registers, zou niet telkens opnieuw moeten worden aangeleverd. Ook de opening van bijkantoren, het gebruik van digitale volmachten, elektronische besluitvorming en de uitwisseling van vennootschapsinformatie via Europese systemen worden vereenvoudigd.
De relevantie van de EU Inc. gaat echter verder dan administratieve vereenvoudiging. Het voorstel bevat ook een flexibeler kader voor financiering en governance. Zoals in onze Belgische BV wordt geen minimumkapitaal vereist, kunnen aandelen zonder nominale waarde worden uitgegeven en wordt ruimte gelaten voor verschillende aandelenklassen, warrants en employee stock option plans. Daarmee wil de EU Inc. beter aansluiten bij de verwachtingen van investeerders, start-ups, scale-ups en bedrijven die snel willen groeien.
Daarnaast wordt ook ingezet op een vlottere toegang tot financiering en een efficiëntere levenscyclus van bedrijven, bijvoorbeeld door het faciliteren van snelle opschaling maar ook een meer gestroomlijnde afwikkeling wanneer het bedrijf faalt.
Precies daarin schuilt de aantrekkingskracht van het voorstel. Een Europese vennootschapsvorm die digitaal, flexibel en grensoverschrijdend bruikbaar is, kan een nuttig instrument worden voor bedrijven die in meerdere lidstaten actief zijn of investeringen willen aantrekken binnen een Europese context.
Tegelijk is enige voorzichtigheid geboden. De EU Inc. zal de bestaande complexiteit niet volledig wegnemen. Het regime blijft hybride: Europese regels worden gecombineerd met de statuten van de vennootschap en, voor niet-geharmoniseerde aspecten, met nationaal recht. Daardoor kan de toepassing van de EU Inc. in de praktijk verschillen tussen lidstaten. Het risico bestaat dus dat er niet één volledig uniforme EU Inc. ontstaat, maar meerdere nationale varianten binnen een gemeenschappelijk Europees kader. Dat betekent dat de keuze van lidstaat, de concrete redactie van de statuten, fiscale aspecten, governance-afspraken en investeerdersbescherming relevant blijven.
Dat hoeft het voorstel niet minder interessant te maken. Integendeel: het bevestigt vooral dat de EU Inc. geen standaardoplossing zal zijn, maar een instrument dat strategisch moet worden beoordeeld. Voor sommige bedrijven kan het een efficiënte en toekomstgerichte keuze zijn. Voor andere zal een bestaande nationale rechtsvorm mogelijk beter blijven aansluiten bij de noden van de onderneming.
Voor Andersen is dit een ontwikkeling die bijzondere aandacht verdient. Het voorstel raakt immers aan vragen die voor veel bedrijven en investeerders strategisch relevant zijn: waar structureer je groei, hoe organiseer je governance, hoe trek je kapitaal aan en hoe bouw je een efficiënte Europese aanwezigheid uit?
De EU Inc. is vandaag nog geen operationele realiteit. Maar het voorstel opent wel een belangrijk debat over de toekomst van ondernemen in Europa. Het biedt geen mirakeloplossing, maar wel een mogelijk nieuw instrument om Europese bedrijven eenvoudiger, digitaler en competitiever te laten groeien. Wie deze evolutie nu al volgt, zal beter geplaatst zijn om de opportuniteiten ervan te beoordelen wanneer het kader concreter wordt. Dat maakt de EU Inc. vandaag vooral één ding: een ontwikkeling om met aandacht, realisme en nieuwsgierigheid te blijven volgen.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.