Onder de OESO-landen kent België de hoogste fiscale druk op arbeid. Om evenwel gekwalificeerde buitenlandse talenten aan te trekken, bestond in België reeds lange tijd een gunstig fiscaal regime voor expats. Dit regime beoogt de aanzienlijke fiscale en parafiscale lasten voor expats te verlichten. In 2022 werd een nieuw wettelijk regime ingevoerd. Hoewel dit nieuwe regime aanvankelijk minder aantrekkelijk was dan het vorige, werd dit inmiddels grotendeels rechtgezet door een latere wetswijziging en een nieuwe administratieve circulaire.

Het oude expatregime was uitsluitend gebaseerd op een circulaire van 8 augustus 1983.
Met de programmawet van 27 december 2021 werd het oude ‘administratieve’ regime vervangen door een nieuw ‘wettelijk’ regime (zie hierover ons vorige artikel).
Op grond van een overgangsbepaling konden het oude en het nieuwe regime naast elkaar bestaan tot en met 31 december 2023. Sinds 1 januari 2024 is dus uitsluitend het nieuwe expatregime van toepassing.
De huidige regeling maakt voortaan een onderscheid tussen het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen (BBIB) en het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen onderzoekers (BBIO). Deze bepalingen zijn van toepassing op in aanmerking komende ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers die vanaf 1 januari 2022 in België beginnen te werken.
Hoewel het nieuwe expatregime meer rechtszekerheid biedt, is het op verschillende punten minder voordelig dan het oude regime. Dit is onder meer het gevolg van:
Zoals aangekondigd in het Paasakkoord werd het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen (BBIB) en voor ingekomen onderzoekers (BBIO) versoepeld door de Wet van 18 december 2025 .
Om in aanmerking te komen voor het BBIB moest de betrokken werknemer of bedrijfsleider in België een belastbare brutobezoldiging ontvangen van meer dan 75.000 EUR per kalenderjaar voor prestaties geleverd in België.
De Wet van 18 december 2025 verlaagt deze minimumdrempel tot 70.000 EUR. Dit bedrag kan om de drie jaar worden aangepast in functie van de evolutie van de afgevlakte gezondheidsindex.
De bezoldiging omvat de jaarlijkse brutobezoldiging voor prestaties in België, vóór aftrek van socialezekerheidsbijdragen, maar met uitsluiting van vertrekvergoedingen, vergoedingen wegens tijdelijk loonverlies en bezoldigingen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 38 WIB92. Bonussen en gratificaties waarvan op het moment van de aanvraag tot toepassing van het BBIB nog geen zekerheid bestaat, mogen niet in aanmerking worden genomen.
De minimumbezoldigingsdrempel is enkel van toepassing op de in België geleverde prestaties. Voor een inkomende belastingplichtige met een split payroll moet de drempelvoorwaarde dus uitsluitend worden beoordeeld op basis van de bezoldiging voor de in België geleverde prestaties .
Voor het BBIO geldt louter een diplomavereiste en moet dus geen minimumbrutoloon worden uitbetaald. Bovendien is het BBIO uitsluitend van toepassing op werknemers en niet op bedrijfsleiders.
b. Versoepelingen voor BBIB en BBIO : verhoging van de forfaitaire kostenvergoeding van 30% naar 35% en afschaffing van het plafond van 90.000 EUR
Het voordeel van het BBIB en het BBIO bestaat erin dat werkgevers een forfaitaire kostenvergoeding kunnen toekennen die vrijgesteld is van belastingen en socialezekerheidsbijdragen, bovenop het loon, tot maximaal 30% van het brutoloon, met een plafond van 90.000 EUR per jaar.
Deze kostenvergoeding wordt beschouwd als een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever en kan betrekking hebben op :
De Wet van 18 december 2025 verhoogt dit percentage van 30% naar 35% en – belangrijker nog – schaft het maximale plafond van 90.000 EUR per jaar af.
Wat de RSZ betreft, blijven de kostenvergoedingen onder het BBIB/BBIO vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen, zelfs na de verhoging van het percentage en de afschaffing van het plafond.
| Concreet betekent dit dat ingekomen belastingplichtigen met hoge bezoldiging van bijvoorbeeld 500.000 EUR voortaan kunnen genieten van een belastingvrijstelling op kosten tot 175.000 EUR. Bovendien kunnen voortaan ook werknemers met een bescheiden bezoldiging van bijvoorbeeld 71.000 EUR genieten van het bijzonder belastingstelsel. |
Op 1 april 2026 heeft de belastingadministratie een Circulaire gepubliceerd waarin een aantal verduidelijkingen worden verschaft omtrent de voormelde versoepelingen. Zo wordt bijvoorbeeld verduidelijkt dat :
Belangrijker is evenwel dat de Circulaire bevestigt de wijzigingen retroactieve werking hebben en van toepassing zijn op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2025.
De Circulaire maakt een onderscheid tussen twee situaties naar aanleiding van de retroactieve wijzigingen van het BBIB en BBIO :
Bestaande arbeidsovereenkomsten kunnen, zonder dat dit een wettelijke verplichting vormt, retroactief worden aangepast uiterlijk op 30 juni 2026 om de nieuwe fiscale regels te integreren:
– BBIB : eventuele verlaging van het minimumbrutoloon tot 70.000 EUR
– BBIB & BBIO: eventuele verhoging van de forfaitaire onkostenvergoeding tot 35%, zonder plafond van 90.000 EUR
Concreet wordt voorzien in een uitzondering voor ingekomen belastingplichtigen met indiensttreding in België tussen 1 januari 2025 en 9 januari 2026.
Deze personen konden uiterlijk op 9 april 2026 alsnog een aanvraag indienen voor de toepassing van het expatregime, wat een afwijking vormt van de gebruikelijke termijn van drie maanden na indiensttreding.
Deze versoepelingen en verduidelijkingen bieden onmiskenbaar mogelijkheden tot optimalisatie voor betrokken ondernemingen en werknemers.
Binnen Andersen in Belgium zorgt onze Global Mobility-afdeling voor een passende juridische begeleiding om de relevante aanpassingen te identificeren en te implementeren. Deze bijstand bestrijkt zowel het fiscaal recht als het sociaal recht (arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht).
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.