In dit artikel gaan we na op welke manier de pachter op zijn beurt een einde kan stellen aan zijn pachtovereenkomst.

Het Vlaamse Pachtdecreet toegelicht (Deel 8)
De eerste pachtwetgeving, die dateert van 1929, had als doel om met een wettelijke bescherming van de pachter een tegengewicht te vormen voor het overwicht van de verpachter.
Deze bevatte onder meer bepalingen over de minimumduur van negen jaar, de verplichting van de verpachter om de pachter een opzegging te geven om de pachtovereenkomst te beëindigen, het beginsel van de exploitatievrijheid en het recht op uittredingsvergoedingen. De landpachtovereenkomst werd op die manier een soort van statutaire overeenkomst, waarbij de wilsautonomie van de partijen buiten spel werd gezet.
De vraag stelt zich nu dus op welke manier een pachter een einde kan stellen aan de pachtovereenkomst?
Vooreerst moeten we kijken naar de duurtijd van de pachtovereenkomst.
De Pachtwet bepaalde dat de pachtduur niet korter kan zijn dan negen jaar en dat de pacht van rechtswege wordt verlengd voor negen jaar als er voor het einde van de lopende periode geen rechtsgeldige opzegging is gegeven, zelfs als de eerste gebruiksperiode meer dan negen jaar bedroeg.
Als er een kortere tijd bedongen was, dan werd de pachttijd van rechtswege op negen jaar gebracht.
Deze bepalingen worden overgenomen in het Pachtdecreet.
Overeenkomstig de Pachtwet en nu ook overeenkomstig het Pachtdecreet, kan de pachter, ongeacht de duur van de pacht en in afwijking van elke andersluidende overeenkomst, te allen tijde volledig of ten dele een einde aan de pacht maken ingevolge een opzegging met een opzeggingstermijn van ten minste een jaar.
Daarbovenop kunnen de partijen, pachter en verpachter dus, tezamen een einde maken aan de lopende pacht op voorwaarde dat hun akkoord wordt vastgesteld in een authentieke akte of in een verklaring die ze voor de rechter na ondervraging afleggen.
Wenst u hierover meer informatie, aarzel dan niet onze specialisten te contacteren via info@be.Andersen.com of +32 (0)2 747 40 07.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.