Het Vlaamse Pachtdecreet toegelicht (Deel 11) Onder de Pachtwet was het voor de verpachter niet altijd duidelijk wie de eigenlijke gebruiker van zijn gronden was omdat deze vaak het voorwerp zijn van onderpacht of pachtoverdracht. Het nieuwe Pachtdecreet wil aan deze frustratie tegemoet komen. In dit artikel wordt dieper ingegaan hoe dit in zijn werk gaat.

De regels van de Pachtwet betreffende de onderpacht en de pachtoverdracht aan andere personen dan de bevoorrechte familieleden, worden deels overgenomen door het Pachtdecreet, weliswaar met legislatieve en taalkundige aanpassingen, en wordt aangevuld.
Het is een frustratie van vele eigenaars dat ze vaak geen zicht hebben op wie nu de eigenlijke gebruiker is van hun gronden, gelet op het feit dat pachtoverdracht en onderpacht vaak worden toegepast. Om de onderpacht en de pachtoverdracht enigszins in te perken werd in de Pachtwet al ingeschreven dat daarvoor de toestemming van de verpachter moest worden verkregen.
Het Pachtdecreet bepaalt voortaan dat de vraag tot toestemming op straffe van nietigheid de volgende gegevens moet bevatten:
1° de identiteit van alle betrokkenen, namelijk:
a) voor natuurlijke personen: de voor- en achternaam, de woonplaats, de geboortedatum en -plaats, de burgerlijke staat, het identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en, als die gegevens bekend zijn, het producentennummer en het ondernemingsnummer. Bij gebrek aan een identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid worden de datum en plaats van geboorte vermeld;
b) voor rechtspersonen: als die gegevens bekend zijn, de benaming, maatschappelijke zetel, producentennummer en ondernemingsnummer, alsook de identiteit van de personen die gemachtigd zijn om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
2° de datum waarop de pachtoverdracht of onderpacht ingaat en, in voorkomend geval, de duur ervan;
3° de kadastrale aanduiding van de percelen, die is opgenomen in het uittreksel uit de kadastrale legger, onder vermelding van minstens de gemeente waar de percelen liggen, de afdeling, de sectie, het perceelnummer, de oppervlakte en de straat- of veldnaam;
4° de vermelding dat bij gebrek aan een reactie op het verzoek tot toestemming binnen drie maanden na ontvangst, dat stilzwijgen zal gelden als toestemming.
Het Pachtdecreet roept eveneens een online loket in het leven waar de eigenaars in de toekomst zullen kunnen nagaan wie hun eigendom heeft aangegeven in de verzamelaanvraag, de jaarlijkse perceelsaangifte bij het Departement Landbouw en Visserij.
Ook de regels over de bevoorrechte onderpacht worden overgenomen in het Pachtdecreet, met een kleine aanpassing.
Er is bevoorrechte onderpacht wanneer de pachter het pachtgoed overdraagt aan zijn echtgenote, kinderen of schoonkinderen, zonder dat hij hiervoor de toestemming van de verpachter nodig heeft. Hij moet de verpachter hiervan op de hoogte stellen binnen de 3 maanden na de overname met vermelding van de identiteit van de overnemer(s). Gevolg is dat er een nieuwe pachtperiode van 9 jaar begint te lopen vanaf de verjaardag van de overname. De verpachter kan hiertegen verzet aantekenen bij de vrederechter op basis van limitatieve ernstige redenen.
De bepaling geeft niet langer een opsomming van de bevoorrechte familieleden, maar bevat een verwijzing naar de term “bevoorrechte familieleden”, zoals opgenomen in het Pachtdecreet.
De onderpacht en pachtoverdracht kunnen de overeengekomen pachttijd niet overschrijden. De pachttijd van de onderpacht eindigt op hetzelfde moment als de hoofdpacht, zelfs als die resterende pachttijd minder dan negen jaar bedraagt. Met de bevoorrechte onderpacht daarentegen begint er een nieuwe termijn van 9 jaar te lopen vanaf de verjaardag van de overname.
Wenst u hierover meer informatie, aarzel dan niet onze specialisten te contacteren via info@be.Andersen.com of +32 (0)2 747 40 07.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.