In onderstaand artikel gaan we na welke landbouwgrond in aanmerking komt voor onteigening voor bebossing en natuurrealisatie.

Het Vlaamse Pachtdecreet toegelicht (Deel 13)
Indien de verpachter wordt onteigend, stelt de oude Pachtwet duidelijk in de voorbereidende werken dat de gevolgen van een onteigening van een verpacht goed buiten het bestek van de wet op de landpacht vallen. In het geval van gerechtelijke onteigening wordt de pacht van rechtswege ontbonden door het vonnis dat de formaliteiten vervuld verklaart.
Onder het Pachtdecreet wordt onteigening eveneens slechts zeer kort aangehaald.
In het kader van de loopbaanpacht wordt bepaald dat een verpachter op elk ogenblik een einde kan maken aan de lopende pacht om de verpachte goederen te gebruiken in overeenstemming met de eindbestemming indien de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die na het sluiten van de overeenkomst onteigend worden door een openbaar bestuur of publiekrechtelijke rechtspersoon.
Daarbij komt nog dat het nieuwe Pachtdecreet een bepaling van de Pachtwet overneemt die stelt dat indien goederen die om redenen van algemeen nut verworven of onteigend zijn, opnieuw verpacht worden, de voormalige pachter een recht van voorrang heeft tegen de maximaal toegestane pachtprijs. De berekening van deze maximaal toegestane pachtprijs wordt ook voorzien in het Pachtdecreet.
Zoals hierboven gesteld is het nieuw in het Pachtdecreet dat de verpachter op ieder ogenblik de pacht kan opzeggen om de gepachte goederen te gebruiken in overeenkomstig met hun eindbestemming, als de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die zullen worden aangewend voor bebossing of natuurrealisatie. Artikel 10 van het Pachtdecreet zet de toepasselijke voorwaarden uiteen:
7° De onteigening heeft betrekking op gronden die zullen worden aangewend voor bebossing of natuurrealisatie als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de gronden hebben een gezamenlijke en aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,5 hectare;
b) de bebossing of natuurrealisatie zal gedurende een periode van ten minste 24 jaar worden aangehouden;
c) de gronden liggen in:
d) in geval van bebossing gebeurt die niet in het kader van de verplichting tot compensatie, vermeld in artikel 90bis, §2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
8° betrekking heeft op gronden die zullen worden aangewend voor bebossing of natuurrealisatie als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de pachtovereenkomst is aangegaan met een gemeente;
b) de bebossing of natuurrealisatie heeft betrekking op gronden met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,5 hectare;
c) de bebossing of natuurrealisatie zal gedurende een periode van ten minste 24 jaar worden aangehouden;
d) de bebossing of natuurrealisatie is door de gemeenteraad goedgekeurd;
e) de verpachter heeft de gronden niet zelf in een ruimtelijk uitvoeringsplan als agrarisch gebied aangeduid;
f) in geval van bebossing gebeurt die niet in het kader van de verplichting tot compensatie, vermeld in artikel 90bis, §2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990.
In geval van opzegging met het oog op bebossing of natuurrealisatie kan de rechter de geldigverklaring van de opzegging weigeren als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig zou worden verstoord.
De rechter kan de geldigverklaring van de opzegging ook beperken tot bepaalde percelen of tot een bepaalde oppervlakte, maar alleen met het doel de opzegging in overeenstemming te brengen met de bepalingen over de leefbaarheid van het bestaande landbouwbedrijf.
Voor de volgende gevallen waarin de leefbaarheid van het landbouwbedrijf van de pachter ernstig verstoord wordt, verwijzen we naar Deel 4 van deze artikelenreeks.
Voor de berekening van de oppervlakte van percelen waarvoor de opzegging werd gegeven, wordt ook de oppervlakte in rekening genomen van percelen die in een periode van 27 jaar vóór de opzegging ook al zijn opgezegd met het oog op bebossing of natuurrealisatie. Voor de berekening van de bedrijfsoppervlakte van de pachter wordt het gemiddelde genomen van de oppervlakte van de laatste drie jaar, zoals is aangegeven in de verzamelaanvraag.
Wenst u hierover meer informatie, aarzel dan niet onze specialisten te contacteren via info@be.Andersen.com of +32 (0)2 747 40 07.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.