In een recent vonnis sprak de correctionele rechtbank van Antwerpen een cliënte van Seeds of Law vrij die valselijk beschuldigd werd van inbreuken op de douanewetgeving.

De douaneadministratie beschuldigde cliënte ervan dat zij geen juiste goederencode had gebruikt bij de aangifte van een partij kleding uit China. Verder beschuldigde de douaneadministratie haar ervan dat zij geen nettogewicht van de ingevoerde goederen had aangegeven en dat er een onderwaardering was van de aangegeven goederen.
De douaneadministratie beweerde dat zij een veel hogere waarde had moeten aangeven, en legde hogere invoerrechten op, alsook een boete.
Cliënte ontving tot meerdere keren toe een voorstel van minnelijke schikking, met het verzoek tot betaling. Bij weigering van de minnelijke schikking zouden de goederen in beslag worden genomen en een correctionele procedure opgestart worden.
Seeds of Law betwistte de argumentatie van de douaneadministratie namens cliënte, vooreerst in een administratieve procedure, waarin zij een uitvoerig dossier indiende waarin de beweringen van de administratie één voor één werden weerlegd. Bij elk bezwaar dat werd ingediend volgde enkel hetzelfde voorstel tot minnelijke regeling zonder het minste antwoord op de argumentatie die door de belastingplichtige werd aangevoerd. De douaneadministratie had ook nog de goederen van cliënte in beslag genomen. Cliënte moest een borg betalen om haar goederen vrij te krijgen teneinde te voldoen aan de leveringsplicht ten opzichte van haar afnemers. Het bedrag van de borg was gelijk aan het bedrag van de verhoogde invoerrechten en de boete.
Cliënte werd zelfs in persoon verhoord door de administratie. Ook tijdens dit verhoor heeft Seeds of Law uitvoerig geprobeerd aan te tonen dat de aangifte correct is gebeurd, doch opnieuw kregen we als enig antwoord hetzelfde voorstel van minnelijke regeling. Cliënte bleef weigeren en werd uiteindelijk gedagvaard voor de correctionele rechtbank in Antwerpen.
Op zich is het al verwerpelijk dat dit geschil werd voorgelegd voor een strafrechtbank. Normaliter, wanneer men een meningsverschil heeft met de fiscus, bijvoorbeeld over inkomstenbelasting of een leegstandsheffing, dan wordt dit geschil voorgelegd aan de burgerlijke rechter. In douanezaken wordt de belastingplichtige onmiddellijk gedagvaard voor de strafrechter.
De correctionele rechtbank van Antwerpen sprak onze cliënte vrij van de tenlasteleggingen betreffende de gebruikte code en het niet vermelden van het nettogewicht. De code die cliënte al jaren zonder problemen gebruikte, is eigenlijk inruilbaar met de code die de douaneadministratie als correct beschouwde.
De rechtbank merkte zelfs op dat beide codes leiden tot eenzelfde heffing van invoerrechten en oordeelde dat de administratie geen bewijs had aangebracht dat een verkeerde code werd gebruikt.
Wat betreft het niet vermelden van het nettogewicht, merkte de rechtbank op dat cliënte inderdaad enkel het brutogewicht had aangegeven, doch dat dit gegeven geen strafbaar feit uitmaakt. Cliënte werd hiervoor dus vrijgesproken.
De waardering van de goederen voor de berekening van de invoerrechten wordt geregeld in het Douanewetboek van de Unie (verder DWU), dat voorziet in een cascadesysteem voor de manier waarop de waarde van de goederen wordt bepaald.
De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Deze waarde kan eventueel worden verhoogd met bepaalde elementen die ten laste komen van de koper en die niet inbegrepen zijn in de transactiewaarde, zoals bijvoorbeeld commissies en courtages, kosten van verpakking en dergelijke meer. De bepalingen van het DWU bepalen ook wat niet mag worden inbegrepen in de douanewaarde, zoals kosten van transport na invoer of kosten voor constructiewerkzaamheden met de ingevoerde goederen.
De transactiewaarde-methode moet worden gebruikt wanneer bepaalde voorwaarden vervuld zijn. Het is enkel wanneer de douanewaarde niet kan worden vastgesteld volgens de transactiewaarde-methode dat de administratie andere methodes kan gebruiken die worden opgesomd door het DWU.
In dit dossier echter heeft de administratie geweigerd om de transactiewaarde-methode te gebruiken zonder dat zij kon aantonen waarom deze primaire methode niet kon worden toegepast. De administratie oordeelde de eerste vijf trappen van de cascade niet te kunnen toepassen in dit dossier. Er werd daarom gebruik gemaakt van de laatste trap, de methode van de ‘redelijke middelen’. Zij vergeleek de waarde die door cliënte aangegeven was – de transactiewaarde – met de lijst van de gemiddelde Europese waarden (Market Access Database – MADB).
Wij argumenteerden dat deze bijkomende methode niet mocht worden gebruikt, en indien de douaneadministratie alsnog een vergelijking wilde maken met deze lijst, de administratie rekening moest houden met de specifieke parameters van de kledingstukken die cliënte heeft ingevoerd om de hogere transactiewaarde te verantwoorden (de kwaliteit, de gebruikte stof, de oorspronkelijke aankoopprijs, het land van herkomst, etc.).
De rechtbank was van oordeel dat het gegeven dat de waarde van de goederen in grote mate kan variëren naar gelang de kwaliteit, het merk en het aangekochte volume ook betekent dat de statistische gegevens op basis van de goederencodes niet als enige maatstaf kan dienen om te oordelen of de factuurwaarde verdacht laag zou zijn. De gehanteerde gemiddelde waarden worden bepaald op basis van statistische gegevens per goederencode, per land van oorsprong en per land van bestemming. Door gebruik te maken van de goederencode kunnen deze gemiddelde waarden voor veel soorten goederen een vertekend beeld schetsen. De rechtbank oordeelde dat het niet bewezen was dat de aangegeven transactiewaarde niet correct zou zijn en sprak cliënte vrij. De fiscale vordering, gebaseerd op de zogenaamde foutieve aangifte, werd eveneens verworpen.
Wij hadden gehoopt dat de rechtbank geoordeeld zou hebben dat de administratie ten onrechte onmiddellijk overging tot waardering door gebruik te maken van de laatste trap, de methode van de ‘redelijke middelen’, en dus het cascadesysteem heeft miskend. Desalniettemin heeft de rechtbank onze cliënte vrijgesproken.
De douaneadministratie heeft beroep aangetekend tegen deze beslissing.
Wij houden u op de hoogte.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.