Een nieuwe Europese verplichting zal online bedrijven binnenkort verplichten om consumenten hun herroepingsrecht even eenvoudig en toegankelijk te laten uitoefenen als het online sluiten van de overeenkomst zelf. Hieronder lichten wij toe wat deze verplichting inhoudt en welke maatregelen u dient te nemen om hieraan te voldoen.

Richtlijn (EU) 2023/2673, tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG, voegt een nieuw artikel 11a toe aan de Richtlijn consumentenrechten. Deze bepaling voert een nieuwe verplichting in voor ondernemingen die via online interfaces overeenkomsten op afstand met consumenten sluiten.
Hoewel de richtlijn werd aangenomen in de context van op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, heeft het nieuwe mechanisme een ruimere draagwijdte. Het is uitdrukkelijk van toepassing op alle overeenkomsten op afstand voor de levering van goederen of diensten waarvoor reeds een herroepingsrecht bestaat.
Het uitgangspunt is eenvoudig: het herroepen van een online gesloten overeenkomst moet voor consumenten even gemakkelijk zijn als het sluiten ervan.
Dit nieuwe mechanisme vervangt of wijzigt de bestaande regels inzake het herroepingsrecht niet. Het voegt enkel een bijkomende, specifiek online beschikbare mogelijkheid toe om het herroepingsrecht uit te oefenen.
De richtlijn verplicht ondernemingen om een specifieke online herroepingsfunctie in te voeren die uit twee stappen bestaat.
De herroepingsfunctie moet duidelijk worden aangeduid, bijvoorbeeld met de vermelding “Hier de overeenkomst herroepen” of een andere even duidelijke en ondubbelzinnige formulering. Zij moet voldoende zichtbaar zijn, gedurende de volledige herroepingstermijn permanent beschikbaar blijven en gemakkelijk toegankelijk zijn. Consumenten mogen geen onnodige stappen moeten ondernemen om de functie te vinden, zoals het downloaden van een applicatie die niet werd gebruikt om de overeenkomst te sluiten. Ondernemingen mogen de herroepingsfunctie ook toegankelijk maken via een rechtstreekse hyperlink.
De herroepingsprocedure moet uit twee stappen bestaan:
Zodra de consument op de bevestigingsknop klikt, moet de onderneming hem onverwijld en op een duurzame gegevensdrager een ontvangstbevestiging bezorgen. Deze bevestiging moet de inhoud van het herroepingsverzoek bevatten, evenals de datum en het tijdstip waarop het verzoek werd ingediend.
De consument wordt geacht zijn herroepingsrecht tijdig te hebben uitgeoefend indien de online herroepingsverklaring werd ingediend vóór het verstrijken van de toepasselijke herroepingstermijn.
De verplichting om een online herroepingsfunctie aan te bieden gaat verder dan louter contractuele bepalingen. Zij heeft een rechtstreekse impact op de manier waarop websites en applicaties worden ontworpen en beheerd.
De lidstaten moesten de richtlijn uiterlijk op 19 december 2025 omzetten in nationaal recht. De nieuwe regels zullen van toepassing zijn vanaf 19 juni 2026.
Op het ogenblik van het schrijven van dit artikel heeft België de richtlijn nog niet omgezet in nationaal recht. De nieuwe bepalingen zullen naar alle waarschijnlijkheid worden geïntegreerd in het Wetboek van economisch recht. In afwachting daarvan doen online ondernemingen er goed aan niet te wachten op de definitieve Belgische omzettingsmaatregelen alvorens actie te ondernemen, temeer daar verschillende buurlanden de richtlijn reeds hebben omgezet en voorzien in aanzienlijke sancties bij niet-naleving.
Wij raden online ondernemingen dan ook aan om reeds nu hun websites, applicaties en herroepingsprocedures te evalueren, zodat zij tijdig aan de nieuwe verplichtingen kunnen voldoen.
Wij blijven de verdere ontwikkelingen op de voet volgen en houden u graag op de hoogte van relevante toekomstige wijzigingen.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.