Het Grondwettelijk Hof oordeelde onlangs dat de wettelijke bepalingen over het beroepsgeheim en de anonimiteit van spermadonoren er niet meer toe mogen leiden dat een donorkind geen enkele identificerende of niet-identificerende informatie van het fertiliteitscentrum kan verkrijgen. In dit artikel bespreken wij kort de gevolgen van dit arrest.

Een donorkind vroeg een kopie van het medisch dossier van haar moeder aan het fertiliteitscentrum waar deze laatste destijds een medisch begeleide voortplantingsbehandeling had ondergaan. Door middel van dit dossier zou het donorkind immers informatie over de donor te weten kunnen komen, en dus ook over haar eigen afstamming en identiteit.
Het fertiliteitscentrum weigerde om het dossier van de moeder over te maken, waarop het donorkind en de moeder het fertiliteitscentrum hebben gedagvaard.
De rechtbank oordeelde dat de moeder geen belang heeft bij een vordering die ertoe strekt om bepaalde afstammingsinformatie over de dochter te verkrijgen, en dat de vordering van de dochter om afstammingsinformatie te bekomen wordt tegengehouden door de wettelijke bepalingen omtrent het beroepsgeheim van het fertiliteitscentrum en de anonimiteit van spermadonoren. De rechtbank besloot evenwel om de discussie, die in essentie gaat over de draagwijdte van het recht op afstammingsinformatie van een donorkind, voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof.
Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de huidige wettelijke bepalingen, die in wezen een absolute voorrang geven aan de belangen van de donor en geen rekening houden met de belangen van het donorkind, niet meer in de huidige tijdsgeest passen.
Het Grondwettelijk Hof geeft daarom de opdracht aan de wetgever om uiterlijk tegen 30 juni 2027 een evenwichtige regeling uit te werken die rekening houdt met de belangen van de donor, maar ook van het donorkind. De gevolgen van de oude regelgeving, met andere woorden de absolute anonimiteit van de donoren, zullen evenwel moeten worden gehandhaafd tot aan de nieuwe regeling.
Of zo een nieuwe regeling ook de toets van het Grondwettelijk Hof zal doorstaan, is nog maar de vraag.
Werkt de wetgever geen nieuwe regeling uit, dan zullen fertiliteitscentra zich na 30 juni 2027 niet meer kunnen verstoppen achter bepalingen over het beroepsgeheim en de anonimiteit van spermadonoren, maar zullen zij rekening moeten houden met het arrest van het Grondwettelijk Hof. Omgekeerd zullen donorkinderen zich uiteraard ook in positieve zin op het arrest kunnen beroepen.
In elk geval past de huidige visie van het Grondwettelijk Hof in een meer algemene trend die (volgens ons terecht) rekening houdt met de belangen van het donorkind.
Zo verscheen er recent in het Tijdschrift voor Familierecht een noot bij drie vonnissen en arresten over medisch begeleide voortplanting en het recht op afstammingsinformatie onder de niet mis te verstane titel “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie maakt een einde aan de donoranonimiteit in dit land”. In dit artikel komt ook het vonnis van de familierechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 23 juni 2023 ter sprake. In dit dossier trad ons kantoor op voor een donorkind dat op zoek was naar haar biologische vader, en dit onderzoek zelf heeft opgestart door gebruik te maken van commerciële DNA-databanken. De rechtbank heeft toen, onder meer door rekening te houden met dezelfde elementen als het Grondwettelijk Hof in het besproken arrest, geoordeeld dat de vermoedelijke donor een gedwongen DNA-onderzoek diende te ondergaan. In een volgend artikel daarover meer.
Het anoniem donorschap staat met andere woorden op de helling. Genetische anonimiteit is immers een illusie. De vraag kan dus gesteld worden of donorkinderen in België moeten wachten op een nieuwe regeling van de wetgever omtrent het verkrijgen van afstammingsinformatie over een donor. Gelet op het bestaan van commerciële DNA-databanken, het gegeven dat de resultaten van commerciële DNA-testen voldoende geacht kunnen worden om een vonnis van een rechtbank te motiveren en dat het recht op afstammingsinformatie wordt beschermd door artikel 8 EVRM, hebben donorkinderen op dit moment reeds een solide basis om op voort te bouwen.
Dit neemt niet weg dat er van de wetgever geen inspanningen verwacht mogen worden. Om de rechtszekerheid te bewaren zou het goed zijn dat de wetgever tegen 30 juni 2027 ook effectief over de brug komt met een werkbare en aan de tijdsgeest aangepaste regeling die donorkinderen geeft waar zij recht op hebben, namelijk genetische zekerheid.
Heeft u vragen over dit onderwerp, aarzel dan niet om onze specialisten te contacteren via info@be.Andersen.com of +32 (0)2 747 40 07.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.