De alomtegenwoordigheid van kansspelreclame – in de omroepmedia, op digitale platforms, bij sportevenementen en in stedelijke omgevingen – weerspiegelt de diepe integratie ervan in het openbare leven. Deze constante aanwezigheid vormt een ernstig risico voor de volksgezondheid en het maatschappelijk welzijn. Door nieuwe spelers aan te trekken, bestaande spelers aan te zetten tot vaker en intensiever gokken en het risico op terugval bij mensen met een gokverslaving te vergroten, voedt dergelijke reclame een zorgwekkende vicieuze cirkel. Bovendien draagt het bij aan de normalisering van gokken door het af te schilderen als een onschuldige vrijetijdsbesteding die sociaal en cultureel aanvaardbaar is. Dit vertekende beeld maakt gokken aantrekkelijker en toegankelijker, vooral voor kwetsbare groepen zoals minderjarigen, jongvolwassenen en mensen die worstelen met een verslaving. Dit fenomeen geeft aanleiding tot grote bezorgdheid, zowel op individueel als op maatschappelijk vlak. In dit artikel gaan we in op het Belgisch wettelijk kader voor reclame voor kansspelen en sponsoring en meer specifiek op de reacties en vooruitzichten vanuit het oogpunt van de Belgische sport- en kansspelindustrie.

In België lijden volgens officiële schattingen ongeveer 100 000 mensen aan een bevestigde gokverslaving, terwijl nog eens 380 000 personen risicovol gokgedrag vertonen.
Deze cijfers suggereren dat bijna 5 % van de volwassen bevolking direct of indirect wordt getroffen door gokgerelateerde problemen en dat dit aantal dramatisch toeneemt. Jonge mannen zijn bijzonder kwetsbaar.
Om voornoemde redenen heeft België strenge regels ingevoerd voor kansspelen en meer in het bijzonder voor reclame daarvoor.
Landgebonden en online kansspelen worden geregeld door de Belgische wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, zoals gewijzigd bij de wet van 18 februari 2024 (“Kansspelwet”). Deze wetgeving is gebaseerd op het principe dat het exploiteren van kansspelen in het algemeen verboden is, met uitzonderingen die worden geregeld door een vergunningensysteem dat wordt beheerd door de “Kansspelcommissie’ (“Gaming Commission”).
De Kansspelwet wordt ten uitvoer gebracht door verschillende koninklijke besluiten, waaronder het koninklijk besluit van 27 februari 2023 tot bepaling van de nadere regels betreffende de reclame voor kansspelen (“het Kansspelreclamebesluit”).
De Kansspelwet voorziet in een algemeen verbod op reclame voor kansspelen, behalve in de uitdrukkelijk toegestane gevallen.
Voor de toepassing van de wet definieert de Kansspelwet reclame in ruime zin als “elke vorm van communicatie die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft om kansspelen te promoten of aan te zetten tot gokken, ongeacht de plaats, de aangewende communicatiemiddelen of de gebruikte technieken. Het aanbrengen van een merknaam of logo, of beide, wordt ook als reclame beschouwd”. Het kansspelreclamebesluit stelt een soortgelijke definitie voor, in overeenstemming met artikel I.8, 13° van het Wetboek van Economisch Recht: “elke communicatie met het rechtstreeks of onrechtstreeks doel de verkoop van producten te bevorderen, ongeacht de plaats of de gebruikte communicatiemiddelen”. Sponsoring van sportevenementen en het tonen van een merknaam, logo of beide worden op dezelfde manier behandeld als reclame.
In de regel mogen alleen exploitanten met een vergunning volgens de Belgische wetgeving beperkte vormen van reclame maken, en zelfs die zijn streng gereglementeerd.
Meer in het bijzonder is alle reclame voor vergunde kansspelen – zowel in fysieke vestigingen als online – in het algemeen verboden, behalve wanneer dit uitdrukkelijk is toegestaan, met name in de volgende gevallen:
Hoewel het kansspelreclamebesluit zelf geen specifieke sancties vermeldt voor overtredingen van het reclameverbod, voorziet de kansspelwet in verschillende straffen.
Met name kan ongeoorloofde reclame voor verboden kansspelen leiden tot boetes die, afhankelijk van de ernst van de overtreding, variëren van 208 tot 576 000 euro.
Houd er rekening mee dat natuurlijke personen en personen die betrokken zijn bij het beheer of de vertegenwoordiging van rechtspersonen of maatschappen zonder rechtspersoonlijkheid, hoofdelijk en burgerlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor sancties in verband met dergelijke overtredingen en rechtstreeks door het openbaar ministerie of een burgerlijke partij voor de strafrechter kunnen worden gedaagd.
De sancties kunnen worden verdubbeld in geval van herhaling binnen vijf jaar na een overtreding van de kansspelwet of de uitvoeringsbepalingen daarvan en/of wanneer de overtreding is begaan tegen een persoon jonger dan 21 jaar.
De Belgische autoriteiten en/of de organisator van het evenement kunnen verzoeken om verwijdering of afdekking van logo’s, terwijl de betrokken partijen een civiele procedure kunnen aanspannen om schadevergoeding te eisen voor ongeoorloofde reclame en om verdere overtredingen te voorkomen.
In alle gevallen kunnen de betrokken activa in beslag worden genomen.
De Kansspelcommissie kan administratieve boetes van vergelijkbare hoogte opleggen.
De Kansspelcommissie ziet toe op de naleving van de reclamevoorschriften in de Kansspelwet en de uitvoeringsbepalingen. Het Kansspelreclamebesluit geeft echter geen aanwijzingen over de wijze waarop de Kansspelcommissie zal toezien op de naleving van de door haar vastgestelde regels.
Het kansspelreclamebesluit heeft sinds haar publicatie en zelfs al daarvoor voor veel controverse gezorgd, met name binnen de Belgische kansspelindustrie en de sportwereld, die sterk afhankelijk is van sponsorovereenkomsten met kansspelbedrijven.
De ProLeague, die topvoetbalclubs, talrijke sportclubs en vertegenwoordigers van verschillende sportdisciplines, hebben samen met verschillende kansspelbedrijven rechtszaken aangespannen bij rechtbanken in heel België.
Zij voeren aan dat een totaalverbod op reclame voor kansspelen fans niet effectief beschermt tegen gokverslaving, maar hen juist naar niet-vergunde aanbieders drijft, waar geen toezicht of consumentenbescherming bestaat.
Europese regelgeving maakt de zaak nog ingewikkelder. Volgens het beginsel van het vrije verkeer van diensten mag een exploitant met een vergunning in één EU-lidstaat reclame maken in andere EU-lidstaten. Het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat België een buitenlandse exploitant met een EU-vergunning niet anders mag behandelen dan een Belgische exploitant zonder in strijd te zijn met het EU-recht. Dit betekent dat België weliswaar beperkingen kan opleggen aan lokale exploitanten, maar geen verbod of strengere regels kan opleggen aan buitenlandse exploitanten met een vergunning in andere EU-lidstaten. Dergelijke maatregelen zouden in strijd zijn met het beginsel van vrij verkeer binnen de Europese Unie.
De kansspelwetgeving in België zal waarschijnlijk blijven evolueren onder druk van machtige lobbygroepen en Europese regelgeving. De uitkomst is nog onzeker, waardoor de sector in onzekerheid verkeert.
Ondertussen moeten de sport- en kansspelsectoren zich een weg banen door een complex wetgevingskader, wat een zorgvuldige strategische planning, naleving van de wetgeving en flexibele marketingtechnieken vereist.
Ze hanteren verschillende strategische benaderingen:
De Belgische regelgeving inzake reclame voor kansspelen weerspiegelt duidelijk een streng verbod dat tot doel heeft de volksgezondheid en kwetsbare bevolkingsgroepen te beschermen tegen de risico’s van kansspelen. Hoewel dit strenge standpunt tot spanningen met de sport- en kansspelindustrie heeft geleid, evenals tot juridische uitdagingen in verband met het Europese recht, onderstreept het de prioriteit die wordt gegeven aan verslavingspreventie en het verminderen van de zichtbaarheid van kansspelen. In dit complexe en veranderende juridische landschap moeten exploitanten extra waakzaam zijn, hun strategieën aanpassen en nauw samenwerken met de autoriteiten om naleving te waarborgen in het kader van verscherpt toezicht door de regelgevende instanties.
Ik zoek een expert in

28.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Sinds 1 juli 2026 geldt voor invoer van goederen met geringe waarde uit derde landen een nieuwe douaneregeling. Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de op een drempel gebaseerde vrijstelling van douanerechten, schaft de vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een intrinsieke waarde van minder dan € 150 af. Tegelijkertijd wordt, als overgangsmaatregel, in bepaalde gevallen een forfaitair douanerecht van € 3 per artikel ingevoerd. Deze hervorming vormt een van de eerste onderdelen van de ingrijpende hervorming van de Europese douane-unie die de Europese Commissie heeft opgestart om de douaneregels aan te passen aan de sterke groei van de wereldwijde e-commerce.

10.07.2026
•Fiscaal recht, Andersen in Belgium
De programmawet van 30 mei 2026 heeft - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 - een voorwaarde toegevoegd aan de forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van de bruto-inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten.

08.07.2026
•Vastgoed, Huur en Mede-eigendom, Andersen in Belgium
Mag een verhuurder een kandidaat-huurder weigeren omdat diens inkomen minder bedraagt dan drie keer de huurprijs? Die vraag staat al jaren centraal in het debat over discriminatie bij verhuur. In een arrest van 30 maart 2026 heeft de Raad van State zich voor het eerst expliciet uitgesproken over deze zogenaamde "driemaalregel". Het arrest biedt belangrijke verduidelijking voor verhuurders, vastgoedinvesteerders en vastgoedmakelaars. De Raad van State beslist niet dat de driemaalregel in alle omstandigheden automatisch toegelaten is. Wel oordeelt de Raad dat het hanteren van een inkomensvereiste van drie keer de huurprijs en lasten niet op zichzelf disproportioneel is en dus niet zonder meer als verboden discriminatie op grond van vermogen kan worden beschouwd.

08.07.2026
•Handels- en Economisch Recht, Andersen in Belgium
Op 20 mei 2026 heeft de Belgische Raad van State in drie richtinggevende arresten (nrs. 266.735, 266.736 en 266.737) geoordeeld dat het Belgische verbod om de termen soldes, solden, sales en Schlussverkauf te gebruiken buiten de wettelijke winter- en zomersoldenperiodes onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en niet langer kan worden gehandhaafd.